akousia

Begrippenlijst muziektheorie

Zoek een muziekterm op en lees wat hij betekent. De woorden staan alfabetisch op hun Engelse naam, met de Nederlandse term erbij: zo kun je ook Engelstalige akkoordsymbolen en lessen terugvinden. Bij ieder begrip met een link kun je verder lezen en luisteren.

  • één duidelijke uitleg per begrip
  • links naar de les
  • gewone taal
Hoor hetCmaj7
C4C5

A

  • Accidental (voorteken) - Een kruis, mol of herstellingsteken dat een noot verhoogt, verlaagt of een eerdere wijziging opheft, meestal tot de maatstreep. Zie voorteken.
  • Aeolian (eolisch) - De modus op de zesde trap van majeur; dezelfde notenverzameling heet ook natuurlijk mineur. Zie eolisch.
  • Alteration (alteratie) - Een akkoordtoon verhogen of verlagen, zoals de ♭9 van een dominantakkoord, om de klank en mogelijke oplossing te veranderen. Zie alteratie.
  • arpeggio - De tonen van één akkoord na elkaar spelen in plaats van tegelijk.
  • Augmented chord (overmatige drieklank) - Een majeurdrieklank met een kwint die één halve toon is verhoogd; luister hoe die noot naar een volgende harmonie kan bewegen. Zie overmatige drieklank.
  • Axis progression (axisprogressie) - De vier akkoorden I-V-vi-IV, of een lus die op een ander punt in diezelfde reeks begint. Zie axisprogressie.

B

  • Bar (maat) - Een groep tellen tussen twee maatstrepen; vier tellen per maat komen vaak voor.
  • Bebop scale (beboptoonladder) - Een toonladder met meestal acht tonen: een gewone ladder plus een chromatische doorgangstoon die akkoordtonen op sterke tellen kan plaatsen. Zie beboptoonladder.
  • Beat (tel) - De regelmatige puls waarop je kunt meetikken. Zie tel.
  • Blues scale (bluestoonladder) - De mineurpentatonische ladder met een verlaagde kwint als extra blue note. Zie bluestoonladder.
  • BPM - Beats per minute: het aantal tellen per minuut en dus een maat voor tempo.

C

  • Cadence (cadens) - Een hoorbaar slot of rustpunt van een muzikale zin, gevormd door akkoorden, melodie en timing. Zie cadens.
  • Chord (akkoord) - Noten die je samen als één harmonie hoort; een drieklank is een veelgebruikte basisvorm. Zie akkoord.
  • Chord symbol (akkoordsymbool) - Korte notatie zoals Cmaj7, Am7 of G7sus4 die vertelt welke harmonie je speelt. Zie akkoordsymbool.
  • Chromatic scale (chromatische toonladder) - Alle twaalf tonen van het octaaf achter elkaar, telkens één halve toon uit elkaar. Zie chromatische toonladder.
  • Circle of fifths (kwintencirkel) - Een rangschikking van toonsoorten per kwint, zodat hun voortekens en verwantschap zichtbaar worden. Zie kwintencirkel.
  • Consonance (consonantie) - De mate waarin samen klinkende tonen als rustig of passend worden ervaren; de tegenhanger van dissonantie.

D

  • Diatonic (diatonisch) - Met tonen die bij de gebruikte toonladder horen; diatonische akkoorden ontstaan uit diezelfde noten. Zie diatonisch.
  • Diminished chord (verminderde drieklank) - Een mineurdrieklank waarvan ook de kwint één halve toon lager ligt. Zie verminderde drieklank.
  • Diminished seventh (verminderd septiemakkoord) - Vier akkoordtonen op afstanden van telkens drie halve tonen; die symmetrie geeft meerdere mogelijke oplossingen. Zie verminderd septiemakkoord.
  • Dissonance (dissonantie) - Spanning tussen samen klinkende tonen; vaak een gewenste aanleiding voor verdere beweging.
  • dominant - De vijfde trap van een toonsoort of het akkoord daarop; vaak gericht op de tonica. Zie dominant.
  • Dominant seventh (dominantseptiemakkoord) - Een majeurdrieklank met kleine septiem; de terts en septiem vormen samen een tritonus. Zie dominantseptiemakkoord.
  • Dorian (dorisch) - Een mineurmodus met een grote sext, zoals D-E-F-G-A-B-C. Zie dorisch.
  • Doo-wop progression (doo-wopprogressie) - De akkoordlus I-vi-IV-V, veelgebruikt in oudere popballads. Zie doo-wopprogressie.
  • Downbeat (eerste tel) - De eerste tel van een maat, waarop een nieuw maatdeel begint.

E

  • Enharmonic (enharmonisch) - Twee namen voor dezelfde klinkende toets, zoals Fis en Ges, met een andere rol in de notatie.
  • Extension (akkoorduitbreiding) - Een toegevoegde none, undecime of tredecime bovenop een septiemakkoord. Zie akkoorduitbreiding.

F

  • Fifth (kwint) - Een interval over vijf letternamen; de reine kwint beslaat zeven halve tonen. Zie kwint.
  • Form (vorm) - De volgorde en herhaling van onderdelen als couplet, refrein en brug. Zie vorm.
  • Fourth (kwart) - Een interval over vier letternamen; de reine kwart beslaat vijf halve tonen. Zie kwart.
  • Frequency (frequentie) - Het aantal trillingen per seconde, gemeten in hertz; verdubbeling geeft een octaaf hoger. Zie frequentie.

G

  • groove - Het ritmische gevoel dat ontstaat door timing, accenten en de plaats van noten rond de puls. Zie groove.

H

  • Half step (halve toon) - De afstand naar de naastgelegen toets op de piano, wit of zwart. Zie halve toon.
  • Half-diminished (halfverminderd akkoord) - Een verminderde drieklank met een kleine septiem, vaak geschreven als m7♭5. Zie halfverminderd akkoord.
  • Harmonic function (harmonische functie) - De rol van een akkoord binnen een toonsoort: thuis, vertrek of beweging terug naar de tonica. Zie harmonische functie.
  • Harmonic minor (harmonisch mineur) - Natuurlijk mineur met een verhoogde zevende trap, zodat de dominant sterker naar de tonica kan leiden. Zie harmonisch mineur.
  • Harmony (harmonie) - Hoe gelijktijdige noten en opeenvolgende akkoorden samen een muzikale beweging vormen. Zie harmonie.
  • Hypermeter (hypermaat) - Een grotere ritmische indeling waarin hele maten samen een groep vormen, bijvoorbeeld vier of acht maten. Zie hypermaat.

I

  • interval - De afstand tussen twee noten, benoemd met letternamen en halve tonen. Zie interval.
  • Inversion (omkering) - Een akkoord waarvan niet de grondtoon maar een andere akkoordtoon in de bas ligt. Zie omkering.
  • Ionian (ionisch) - De majeurtoonladder beschouwd als de eerste van de zeven kerktoonladders. Zie ionisch.

K

  • Key (toonsoort) - De grondtoon en toonladder waarom een stuk draait, met de bijbehorende akkoorden. Zie toonsoort.
  • Key signature (voortekening) - De kruisen of mollen aan het begin van de notenbalk die de gebruikelijke tonen van de toonsoort aangeven. Zie voortekening.

L

  • Leading tone (leidtoon) - De zevende trap die een halve toon onder de tonica ligt en vaak naar haar opstijgt. Zie leidtoon.
  • Locrian (locrisch) - Een modus met verlaagde tweede en vijfde trap; de drieklank op de grondtoon is verminderd. Zie locrisch.
  • Lydian (lydisch) - Een majeurmodus met een verhoogde vierde trap. Zie lydisch.

M

  • Major scale (majeurtoonladder) - Zeven tonen met het vaste patroon van hele en halve toonafstanden van majeur. Zie majeurtoonladder.
  • Major seventh chord (majeurseptiemakkoord) - Een majeurdrieklank met een grote septiem, bijvoorbeeld C-E-G-B. Zie majeurseptiemakkoord.
  • Major triad (majeurdrieklank) - Een grondtoon, grote terts en reine kwint, zoals C-E-G. Zie majeurdrieklank.
  • Melodic minor (melodisch mineur) - In de klassieke stijgende vorm: mineur met verhoogde zesde en zevende trap. Zie melodisch mineur.
  • Meter (maatsoort) - De manier waarop tellen in maten worden gegroepeerd. Zie maatsoort.
  • Metric modulation (metrische modulatie) - Een ritmische onderverdeling wordt de nieuwe tel, zodat twee tempi precies aan elkaar gekoppeld zijn. Zie metrische modulatie.
  • Minor seventh chord (mineurseptiemakkoord) - Een mineurdrieklank met een kleine septiem, zoals C-Es-G-Bes. Zie mineurseptiemakkoord.
  • Minor triad (mineurdrieklank) - Een grondtoon, kleine terts en reine kwint, zoals C-Es-G. Zie mineurdrieklank.
  • Mixolydian (mixolydisch) - Een majeurmodus met een verlaagde zevende trap. Zie mixolydisch.
  • modal interchange - Een akkoord lenen uit de gelijknamige majeur- of mineurtoonladder. Zie modal interchange.
  • Mode (modus) - Een toonverzameling waarin een andere toon als centrum klinkt, met eigen afstanden rond die grondtoon. Zie modus.
  • Modulation (modulatie) - Tijdens een muziekstuk werkelijk naar een andere toonsoort overgaan. Zie modulatie.

N

  • Ninth (none) - De negende toon gerekend vanaf de grondtoon, met dezelfde letternaam als de secunde een octaaf hoger. Zie none.
  • Note value (nootwaarde) - De genoteerde duur van een noot, zoals een hele, halve, kwart- of achtste noot. Zie nootwaarde.

O

  • Octave (octaaf) - De afstand van twaalf halve tonen waarbij een noot met dezelfde naam hoger of lager terugkomt. Zie octaaf.
  • Overtone (boventoon) - Een hogere frequentie die met een gespeelde toon meeklinkt en mede de klankkleur van een instrument bepaalt. Zie boventoon.

P

  • Pedal point (pedaalpunt) - Een aanhoudende of herhaalde basnoot terwijl de akkoorden erboven veranderen. Zie pedaalpunt.
  • Pentatonic scale (pentatonische toonladder) - Een toonladder met vijf verschillende tonen per octaaf. Zie pentatonische toonladder.
  • Phrygian (frygisch) - Een mineurmodus met een verlaagde tweede trap, vlak boven de grondtoon. Zie frygisch.
  • Polychord (polyakkoord) - Twee complete akkoorden die tegelijk als lagen klinken. Zie polyakkoord.
  • Polyrhythm (polyritme) - Twee verschillende ritmische verdelingen tegelijk, bijvoorbeeld drie tegen vier. Zie polyritme.
  • Power chord (powerchord) - Een grondtoon en reine kwint zonder terts; de vorm zelf is majeur noch mineur. Zie powerchord.
  • Progression (akkoordprogressie) - Een reeks akkoorden in een bepaalde volgorde. Zie akkoordprogressie.
  • Pulse (puls) - De gelijkmatige onderliggende tel waarop je kunt meetikken, ook als er niet op iedere tel een noot klinkt. Zie puls.

R

  • Rest (rust) - Een genoteerde stilte met een bepaalde duur, als onderdeel van het ritme. Zie rust.
  • Resolution (oplossing) - Het moment waarop een gespannen toon of akkoord naar een rustiger bestemming beweegt. Zie oplossing.
  • Root (grondtoon) - De noot waarnaar een akkoord is genoemd en waarvandaan je zijn andere tonen meet.

S

  • Scale (toonladder) - Een geordende reeks tonen binnen een octaaf, doorgaans herhaald in hogere en lagere registers. Zie toonladder.
  • Secondary dominant (secundaire dominant) - Een dominantakkoord dat tijdelijk naar een ander akkoord dan de tonica leidt. Zie secundaire dominant.
  • Seventh chord (septiemakkoord) - Een drieklank met een vierde akkoordtoon die een septiem boven de grondtoon ligt. Zie septiemakkoord.
  • Sixth chord (sextakkoord) - Een majeurdrieklank met een toegevoegde sext, bijvoorbeeld C-E-G-A. Zie sextakkoord.
  • Slash chord (slashakkoord) - Een akkoord met een expliciet voorgeschreven basnoot, zoals C/E. Zie slashakkoord.
  • Sus chord (susakkoord) - Een akkoord waarin de terts plaatsmaakt voor de tweede of vierde trap. Zie susakkoord.
  • swing - Een ritmische uitvoering waarbij opeenvolgende achtsten vaak ongelijk lang klinken. Zie swing.
  • Symmetric scale (symmetrische toonladder) - Een toonladder met een herhalend afstandspatroon, zoals de heletoonstoonladder. Zie symmetrische toonladder.
  • Syncopation (syncope) - Een accent op een onverwacht moment tussen of tegenover de gebruikelijke sterke tellen. Zie syncope.

T

  • tempo - De snelheid van de puls, vaak aangegeven in BPM. Zie tempo.
  • Third (terts) - Een interval over drie letternamen: de grote terts heeft vier halve tonen, de kleine drie. Zie terts.
  • Time signature (maatsoortteken) - Twee cijfers die aangeven hoe tellen en nootwaarden in de maat zijn ingedeeld. Zie maatsoortteken.
  • Tonic (tonica) - De grondtoon en het bijbehorende akkoord die in een toonsoort als thuis voelen. Zie tonica.
  • Triad (drieklank) - Een akkoordstructuur met grondtoon, terts en kwint. Zie drieklank.
  • Tritone (tritonus) - Een interval van zes halve tonen, precies halverwege het octaaf. Zie tritonus.
  • turnaround - Een korte akkoordbeweging aan het eind van een deel die terugleidt naar het begin. Zie turnaround.

U

  • Unison (prime) - Twee stemmen of instrumenten op exact dezelfde toonhoogte: nul halve tonen uit elkaar. Zie prime.

V

  • Voice leading (stemvoering) - Hoe afzonderlijke akkoordtonen als melodische lijnen naar het volgende akkoord bewegen. Zie stemvoering.
  • Voicing (akkoordligging) - Welke akkoordtonen je speelt, in welke volgorde en in welk register. Zie akkoordligging.

W

  • Whole step (hele toon) - Een afstand van twee halve tonen. Zie hele toon.
  • Whole tone scale (heletoonstoonladder) - Een toonladder van zes tonen met telkens een hele toon ertussen. Zie heletoonstoonladder.

Verder ontdekken

Alles over muziektheorie

Open muziektheorie

De andere onderdelen

Deze onderdelen vormen samen de site. Ze staan in een volgorde waarmee je stap voor stap verder kunt leren.