Akkoorden omkeren
Bij een omkering blijven de akkoordnoten gelijk, maar ligt een andere akkoordtoon in de bas. Bouw de liggingen van een drieklank en een septiemakkoord, leer hun namen en gebruik ze om soepel tussen akkoorden te wisselen.
- de bas bepaalt de omkering
- 3 liggingen bij een drieklank
- 4 bij een septiemakkoord
In welke stijlen?
- Klassiek
- Pop
- Gospel
- Jazz
- Filmmuziek
Wat is een omkering?
Je keert een akkoord om wanneer een andere akkoordtoon dan de grondtoon het laagst klinkt.
C majeur bestaat uit C, E en G. Met die drie noten zijn er drie basliggingen:
- Grondligging: C-E-G. C ligt in de bas.
- Eerste omkering: E-G-C. De terts E ligt in de bas.
- Tweede omkering: G-C-E. De kwint G ligt in de bas.
Het blijven drie vormen van C majeur: de noten veranderen niet en C blijft de harmonische grondtoon.
Hoe maak je de volgende omkering?
Verplaats de laagste noot een octaaf omhoog.
Begin met C-E-G. Zet C bovenaan en je krijgt E-G-C. Verplaats daarna E en je krijgt G-C-E. Zet ook G bovenaan en je bent weer bij C-E-G, een octaaf hoger.
Zo zie je de liggingen overzichtelijk. In muziek kunnen de bovenste noten ook verder over meerdere octaven verdeeld zijn.
Hoe keer je een septiemakkoord om?
Een septiemakkoord heeft vier verschillende akkoordtonen en dus vier mogelijke basliggingen. Voor Cmaj7 zijn dat:
- Grondligging: C-E-G-B
- Eerste omkering: E-G-B-C
- Tweede omkering: G-B-C-E
- Derde omkering: B-C-E-G
Bij de derde omkering ligt de septiem in de bas. Cmaj7/B is een manier om die ligging als slashakkoord te noteren.
Maakt de volgorde van de bovenste noten uit?
De basnoot bepaalt de omkering. De volgorde, onderlinge afstand en eventuele verdubbeling erboven bepalen de voicing.
E-C-G en E-G-C zijn allebei een eerste omkering van C majeur: E klinkt het laagst. Alleen de verdeling erboven verschilt.
Ook E-C-G-C heeft E in de bas en blijft een eerste omkering.
Is elk slashakkoord een omkering?
Een slashakkoord noemt eerst het akkoord en daarna, achter de schuine streep, de basnoot. C/E is C majeur met E onderaan: een eerste omkering.
Bij C/D ligt D in de bas. D hoort niet bij de C-majeurdrieklank, dus dit is wel een slashakkoord maar geen omkering van C.
Lees het symbool in twee stappen: zoek de noten van het akkoord vóór de streep en speel de basnoot erachter.
Waarom gebruik je omkeringen in een reeks?
Met een omkering hoeven de stemmen soms minder ver te bewegen. Vergelijk C majeur met F majeur:
- Grondliggingen: C-E-G naar F-A-C
- Soepelere keuze: C-E-G naar C-F-A
In de tweede versie ligt F majeur als F/C: C blijft in de bas, E gaat naar F en G naar A. De akkoorden klinken daardoor verbonden en de overgang kan makkelijker te spelen zijn.
Hoe maak je er een baslijn mee?
Een omkering bepaalt ook welke noot de bas speelt. Zo kan de bas stap voor stap bewegen, ook als de akkoordgrondtonen grotere sprongen maken.
Bij C-G/B-Am zijn de basnoten C-B-A. G/B is een eerste omkering van G majeur. In plaats van een sprong van C naar G daalt de bas eerst een halve toon naar B.
Zo kan een baslijn akkoorden verbinden, een eigen tegenmelodie vormen of naar een slot toewerken.
Verandert een omkering de functie van het akkoord?
Een omkering kan de nadruk en stemvoering veranderen zonder dat de basisfunctie verandert.
G7/B blijft in C majeur een dominant. De B in de bas maakt de beweging omhoog naar C juist extra duidelijk.
Bij drieklanken met de kwint in de bas is de context belangrijk. In klassieke tonale muziek werkt een C/G vlak voor G7 vaak mee aan de aankomst op de dominant, in plaats van als zelfstandig tonica-akkoord. Benoem eerst noten en bas en leid de functie daarna af uit de reeks.
Hoe klinken de verschillende liggingen?
In grondligging hoor je de grondtoon makkelijk in de bas. Een eerste omkering kan de baslijn vloeiender maken. Een tweede omkering zet de kwint onder de grondtoon en voelt in een tonale cadens soms minder als een eindpunt.
Dat zijn geen vaste emoties. Hoogte, ritme, verdubbeling, instrument en omliggende akkoorden beïnvloeden het resultaat.
Vergelijk daarom de drie C-majeurliggingen op ongeveer hetzelfde volume en in hetzelfde register.
Hoe oefen je omkeringen?
Speel C-E-G, E-G-C en G-C-E. Zeg bij elke vorm ‘grondligging’, ‘eerste omkering’ of ‘tweede omkering’.
Doe hetzelfde met F en G majeur. Verbind daarna C, F en G terwijl je je hand zo weinig mogelijk verplaatst.
Luister ten slotte alleen naar de bas. Kun je de baslijn zingen én boven elke noot het akkoord noemen? Dan gebruik je omkeringen als onderdeel van de muziek.