Het majeurakkoord
Een majeurakkoord heeft een grondtoon, grote terts en reine kwint. C-E-G, F-A-C en G-B-D zijn voorbeelden. De terts maakt het akkoord majeur: verlaag die noot één halve toon en je krijgt de mineurversie.
- 3 noten
- C E G
- 1 3 5
In welke stijlen?
- Pop
- Rock en folk
- Country
- Gospel
Wat doet een majeurdrieklank?
Speel C en G zonder E. Je hoort een open kwint, maar deze twee noten vertellen nog niet of het akkoord majeur of mineur is.
Voeg E toe: nu klinkt C majeur. Verlaag alleen E naar Es en je hoort C mineur. C en G blijven staan.
Speel ze een paar keer vlak na elkaar. Het hele verschil zit in één halve toon, in de middelste akkoordtoon.
Musici noemen majeur vaak de helderdere van de twee klanken. Dat is een vergelijking, geen vaste emotie. De concrete verandering blijft E naar Es.
Op gitaar beweegt bij A majeur naar A mineur ook maar één vinger: de vinger op de B-snaar gaat één fret terug. Die gespeelde noot is de terts.
Wat doet elk van de drie noten?
Voeg de noten één voor één toe. Verlaag daarna met de schakelaar alleen de terts en luister welke twee noten blijven liggen.
Welke noten vormen een majeurdrieklank?
Begin bij C, sla D over en speel E. Sla F over en speel G. Zo kom je bij C-E-G.
Door de tussenliggende letters over te slaan, liggen de akkoordtonen verder uit elkaar. Speel je C-D-E tegelijk, dan zitten de noten veel dichter opeen en hoor je een andere, vollere botsing.
Als intervallen gemeten, is C-E een grote terts van vier halve tonen en C-G een reine kwint van zeven. In toontrappen schrijf je 1-3-5.
Vanaf elke grondtoon tel je hetzelfde: vier halve tonen omhoog en dan nog drie. Witte én zwarte toetsen tellen mee. Zo krijg je F-A-C, A-Cis-E en Es-G-Bes.
Werk je liever vanuit een toonladder? Neem dan de eerste, derde en vijfde toon van de majeurtoonladder op die grondtoon.
In welke andere akkoorden zit een majeurdrieklank?
C, E en G blijven staan terwijl er andere noten bijkomen:
- Majeurseptiem en sext: Cmaj7 is C-E-G-B; C6 is C-E-G-A.
- Dominantseptiem: C7 is C-E-G-Bes. Bes geeft het akkoord een andere richting.
- Add9: er komt een none bij, terwijl de drieklank blijft staan.
Speel C-E-G, E-G-C en G-C-E. Dezelfde drie noten blijven C majeur; alleen de onderste noot verschuift. Dat zijn omkeringen.
Twee andere akkoordsoorten veranderen juist de drieklank. Overmatig verhoogt G naar Gis. Bij susakkoorden vervangt een secunde of kwart de terts, zodat je er geen majeur of mineur meer aan kunt aflezen.
Waar vind je majeurdrieklanken in een toonsoort?
Bouw op elke trap van een majeurtoonladder een drieklank. De volgorde is steeds: majeur, mineur, mineur, majeur, majeur, mineur, verminderd. In C majeur wordt dat C, Dm, Em, F, G, Am en Bdim.
De drie majeurdrieklanken staan op trap I, IV en V. Daarom kom je C, F en G zo vaak samen tegen in nummers.
Op II, III en VI staat mineur; VII is verminderd. Zoek je de toonsoort van een akkoordenschema, dan helpen die drie majeurakkoorden je om I, IV en V te herkennen.
In G majeur vallen dezelfde functies op G, C en D. De complete reeks per toonsoort staat bij diatonische akkoorden.
Betekent majeur altijd vrolijk?
Naast een mineurakkoord klinkt majeur vaak helderder. Die vergelijking is bruikbaar, maar vertelt niet hoe een akkoord in elk nummer voelt.
Houd twee dingen uit elkaar. Hoe de tonen fysiek samenvallen kun je meten. Welke stemming je eraan koppelt, hangt ook af van ervaring, cultuur en de muziek eromheen.
‘Helder’ en ‘donker’ zijn handige woorden voor het contrast. Wat je op het klavier verandert, blijft één noot die één halve toon verschuift.
Waarom kan majeur zo rustig klinken?
Speel een lage C. Je hoort vooral die noot, maar in de klank zitten ook zachtere boventonen. De vierde, vijfde en zesde daarvan komen overeen met C, E en G.
De drie tonen van een majeurdrieklank passen in de verhouding 4:5:6. Hun boventonen vallen relatief vaak samen, waardoor de klank kan mengen. Bij een mineurdrieklank is de eenvoudige verhouding 10:12:15; die overlap ontstaat verderop in de boventoonreeks.
Dat verschil in verhoudingen kun je meten, op elk instrument en vanaf elke grondtoon. De achtergrond lees je bij de boventoonreeks en stemming en temperatuur.
De ligging maakt uit. Zet je terts en grondtoon dicht bij elkaar in een laag register, dan kunnen hun boventonen elkaar laten zweven en klinkt het troebel. Laat de grondtoon laag en speel de terts een octaaf hoger: dezelfde akkoordtonen worden duidelijker. Daar gaan voicings over.