De boventoonreeks
De boventoonreeks bestaat uit frequenties die hele veelvouden zijn van een grondfrequentie: f, 2f, 3f, 4f en verder. Veel instrumenten met een duidelijke toonhoogte benaderen dit patroon. Hoe sterk de verschillende deeltonen klinken, bepaalt een groot deel van hun klankkleur.
- harmonische n = n maal f
- grondtoon is harmonische 1
- echte spectra verschillen
Waar kom je dit tegen?
- Akoestische instrumenten
- Synthese
- Stemmen
- Mixen
Tel harmonischen en boventonen
Bij een grondtoon van 100 Hz krijg je:
| Harmonische | Frequentie | Ongeveer boven de grondtoon |
|---|---|---|
| 1 | 100 Hz | priem, de grondtoon |
| 2 | 200 Hz | octaaf |
| 3 | 300 Hz | octaaf plus reine kwint |
| 4 | 400 Hz | twee octaven |
| 5 | 500 Hz | twee octaven plus natuurlijke grote terts |
| 6 | 600 Hz | twee octaven plus reine kwint |
| 7 | 700 Hz | twee octaven plus natuurlijke kleine septiem, lager dan gelijkzwevend |
De eerste boventoon is harmonische 2. Daarom verschillen de nummers van boventonen en harmonischen één stap.
Waarom maken snaren dit patroon?
Een snaar die aan beide uiteinden vastzit, kan staande golven vormen die precies in haar lengte passen. De hele snaar geeft de grondtoon, twee halve lengtes geven harmonische 2, drie delen harmonische 3, enzovoort.
Ook luchtkolommen kunnen zo trillen, maar de grenzen van de kolom tellen mee. Een open en een gesloten pijp versterken andere resonanties. Bij echte instrumenten veranderen ook de stijfheid, klankkast, geluidsuitstraling en speelwijze het spectrum.
Zijn hogere harmonischen altijd zachter?
In een eenvoudig model worden de hogere deeltonen misschien steeds zwakker. Echte instrumenten volgen geen vaste volgorde in sterkte. Een resonantie kan harmonische 3 of 5 harder maken dan een lagere buur. Tijdens de aanslag en het uitklinken verschuift die verhouding weer.
Klankkleur hangt af van dit veranderende spectrum, niet alleen van het aantal aanwezige harmonischen.
Natuurlijke intervallen en gelijkzwevende stemming
Harmonischen 4, 5 en 6 verhouden zich als 4:5:6 en lijken samen op een majeurdrieklank. De natuurlijke grote terts 5:4 is ongeveer 14 cent smaller dan een gelijkzwevende grote terts.
Harmonische 7 ligt ten opzichte van harmonische 4 ongeveer 31 cent onder de gelijkzwevende kleine septiem. Harmonische 11 valt tussen vertrouwde gelijkzwevende tonen. De reeks is dus geen verborgen pianoklavier met twaalf gelijke stappen.
Harmonische en onharmonische deeltonen
Een deeltoon is een sinusvormig onderdeel van een samengestelde klank. Een harmonische deeltoon heeft een frequentie die een heel veelvoud van de grondfrequentie is. Een onharmonische deeltoon niet.
Klokken, bekkens en membranen hebben vaak sterk onharmonische trillingen. Door de stijfheid van pianosnaren liggen ook hun deeltonen iets hoger dan het ideale veelvoud. Daarom stemmen pianostemmers octaven over het instrument vaak iets ruimer.
Wat verklaart de reeks wel en niet?
Deeltonen die samenvallen of dicht bij elkaar liggen, kunnen verklaren waarom eenvoudige intervallen versmelten en weinig ruwheid geven. Bij een octaaf van 2:1 en een kwint van 3:2 vallen in ideale harmonische spectra veel deeltonen samen.
Of een interval consonant voelt, hangt ook af van register, klankkleur, stemming, cultuur, ervaring en de muziek eromheen. De boventoonreeks verklaart een deel, niet alles.
Bouw de klank op en vergelijk
- Alleen de grondtoonluister naar het bijna sinusvormige begin.
- Voeg harmonische 2 toehoor hoe het octaaf de toon versterkt.
- Voeg harmonische 3 toeluister naar de kleur die met de kwint samenhangt.
- Voeg harmonischen 4 tot en met 8 toevolg de helderheid en scherpte.
- Haal de grondtoon weghoor of je toch de toonhoogte van de ontbrekende basis blijft waarnemen.