akousia

Trappenanalyse

Romeinse cijfers beschrijven akkoorden ten opzichte van een toonsoort. C-G-Am-F in C majeur en E-B-C#m-A in E majeur worden allebei I-V-vi-IV. Zo zie je hetzelfde harmonische patroon na het transponeren.

  • 7 trappen
  • hoofdletters en kleine letters tonen akkoordsoort
  • patroon blijft bij transponeren

Waar kom je dit tegen?

  • Elke stijl
  • Analyse
  • Liedjes schrijven
  • Samen spelen
Speel het patroonI - V - vi - IV
C4C5

Het akkoordschema

  1. I
  2. V
  3. vi
  4. IV

Volg de pijlen één keer met je ogen. Speel daarna de lus af met de speler hieronder.

Analyseer in vijf stappen

1. Zoek de overtuigendste tonica via melodie, bas, cadensen en frase-eindes.
2. Schrijf de trap van iedere akkoordgrondtoon op.
3. Bepaal de akkoordsoort: majeur, mineur, verminderd of overmatig.
4. Voeg septiemen, uitbreidingen of omkeringen toe als die van belang zijn.
5. Verklaar chromatische akkoorden via lenen, een tijdelijke tonica of een andere duidelijke relatie.

Kies de toonsoort niet alleen op basis van het eerste akkoord. Een lus kan elders beginnen en parallelle toonsoorten delen veel akkoorden.

Hoofdletters, kleine letters en tekens

In een veelgebruikt systeem van Romeinse cijfers:

  • I, IV en V in hoofdletters staan voor majeurdrieklanken
  • ii, iii en vi in kleine letters staan voor mineurdrieklanken
  • een klein rondje geeft verminderd aan, zoals vii°
  • 7 geeft een septiemakkoord aan
  • voortekens veranderen de trap of grondtoon, zoals bVII

In C majeur zijn de diatonische drieklanken I C, ii Dm, iii Em, IV F, V G, vi Am en vii° Bdim.

Een uitgewerkt voorbeeld

Analyseer C-G-Am-F in C majeur:

AkkoordTrap van de grondtoonSoortRomeins cijfer
C1majeurI
G5majeurV
Am6mineurvi
F4majeurIV

Zet dit patroon in G majeur en je krijgt G-D-Em-C. Als je de trappen kent, hoef je niet ieder interval opnieuw te raden.

Twee manieren om mineur te noteren

Klassieke analyse neemt mineur vaak als eigen diatonisch uitgangspunt. In A mineur heten C, F en G dan III, VI en VII.

In popanalyse worden grondtonen vaak vergeleken met de gelijknamige majeurtoonladder. Dezelfde akkoorden worden bIII, bVI en bVII, omdat A majeur Cis, Fis en Gis heeft. Beide systemen kunnen consequent zijn. Kies er één en wissel niet halverwege. Op akkoordenschemapagina’s gebruikt Akousia vaak de vergelijking met gelijknamig majeur, omdat modale veranderingen daardoor zichtbaar worden.

Omkeringen en schuine strepen

In de klassieke becijfering betekent I6 een tonica-drieklank met de terts in de bas; I64 heeft de kwint onderaan.

In popakkoordsymbolen zet je de bas achter een schuine streep: C/E is C majeur met E in de bas. Bij Romeinse cijfers kan de streep iets anders betekenen: V/vi is de dominant van vi. In C majeur is dat E of E7, die naar Am kan leiden. Kijk dus welk notatiesysteem je leest.

Chromatische akkoorden

Een akkoord buiten de toonsoort is geen fout, maar een aanwijzing.

bVII in C majeur: Bes. Dat kan mixolydische kleur geven of uit C mineur geleend zijn.

V/vi in C majeur: E of E7. Gis wordt de leidtoon naar A en maakt vi tijdelijk een rustpunt.

iv in C majeur: Fm. As komt uit gelijknamig mineur en kan chromatisch naar G in het tonica-akkoord bewegen.

Een cijfer moet helpen uitleggen wat je hoort en hoe de stemmen bewegen.

Verder ontdekken

Alles over melodie en vorm

Open melodie en vorm