De canonprogressie
De canonprogressie is I-V-vi-iii-IV-I-IV-V. In D majeur speel je D, A, Bm, Fis mineur, G, D, G en A. Acht akkoorden geven de melodie meer ruimte dan een korte poplus; de laatste dominant leidt meteen terug naar het begin.
- 8 akkoorden
- I V vi iii IV I IV V
- meestal aangeleerd in D majeur
Uit dezelfde familie
De akkoordprogressie
- I
- V
- vi
- iii
- IV
- I
- IV
- V
Begin met de akkoordkaart
| Stap | Romeins cijfer | Akkoord in D |
|---|---|---|
| 1 | I | D |
| 2 | V | A |
| 3 | vi | Bm |
| 4 | iii | Fis mineur |
| 5 | IV | G |
| 6 | I | D |
| 7 | IV | G |
| 8 | V | A |
Alle akkoorden zijn diatonisch in D majeur. De afwisseling ontstaat door hun volgorde: in de eerste helft wisselen majeur en mineur geregeld af; IV-I-IV-V wijst daarna helder terug naar het begin.
Daalt de bas echt stap voor stap?
Als je ieder akkoord in grondligging speelt, is de bas D-A-B-Fis-G-D-G-A. Dat is geen stapsgewijze daling.
Het bekende dalende effect komt van de gekozen basnoten en omkeringen. Een mogelijke lijn is D-Cis-B-A-G-Fis-G-A. Bij A/C# staat bijvoorbeeld de terts van V in de bas; bij F#m/A staat de terts van Fis mineur onderaan.
Dit onderscheid is belangrijk: een akkoordsymbool geeft de harmonie aan, terwijl een slashakkoord of uitgeschreven baspartij de laagste noot vastlegt.
Hoor de twee helften
I-V-vi-iii beweegt weg van de tonica. De mineurakkoorden vi en iii veranderen de kleur zonder de toonsoort te verlaten.
IV-I-IV-V keert naar bekende functies in majeur terug. De laatste V rondt niet definitief af, maar bereidt de volgende I voor.
Gebruik IV halverwege als herkenningspunt, net zoals maat 5 en 9 je door een twaalfmatenblues helpen.
Waarom kan de stemvoering zo soepel zijn?
Veel akkoorden naast elkaar delen een noot:
- D en A delen A
- A en Fis mineur delen A en Cis
- B mineur en Fis mineur delen Fis
- G en D delen D
Met passende omkeringen kunnen die tonen blijven liggen terwijl andere stemmen stapsgewijs bewegen. Zo loopt er een doorgaande lijn onder de melodie, ook al verschijnen acht verschillende akkoordsymbolen.
Oefen de reeks in drie rondes
- Speel akkoorden in grondliggingleer de volgorde zonder je al om de bas te bekommeren.
- Speel alleen D-Cis-B-A-G-Fis-G-Ahoor de zelfstandige vorm van de baslijn.
- Combineer met omkeringenbehoud de akkoordnamen maar zet die basnoten onderaan.
Maak er jouw versie van
- Verkort de eerste helft
Gebruik I-V-vi-iii als lus van vier akkoorden en bewaar alle acht voor een refrein.
- Maak de akkoorden langer
Twee tellen per akkoord geven een korte cyclus; een of twee maten per akkoord geven de dalende lijn meer ruimte.
- Verander het laatste akkoord
Eindig het laatste refrein op I in plaats van V, zodat het lied niet opnieuw om een herhaling vraagt.
- Schrijf tegen de reeks in
Houd één melodienoot twee of drie akkoorden lang aan en luister hoe haar rol verandert.
De reeks en Pachelbels Canon
De naam verwijst naar het harmonische patroon dat met Johann Pachelbels Canon in D wordt geassocieerd. Het stuk is meer dan een akkoordvolgorde: het heeft ook een herhaald basontwerp en bovenstemmen die elkaar imiteren. Een modern lied kan de reeks lenen zonder een canon als contrapuntische vorm te gebruiken.
Wanneer is deze reeks handig?
Kies de canonprogressie als een lus van vier akkoorden te snel rond is. Acht posities geven de melodie een langere stijging en daling. Tegelijk maakt de voorspelbare terugkeer herhaling makkelijk te volgen.